Eduard XIV

Eduard slaat het boek dicht en vraagt hoe het gaat aflopen. “Het zou goed zijn als iemand sterft”, denkt hij, “De vrouw bijvoorbeeld.” Maar kan sterven überhaupt goed zijn, gaat hij door. Kan het goed zijn om een mens, ook al is het een fictief personage, dood te maken? Hij probeert zich zijn eigen dood voor te stellen op zo’n manier dat een ander er de oorzaak van is. “Mijn dood zal de enige gebeurtenis zijn waarbij ik zelf niet aanwezig ben. Het sterven, dat wel. Maar mijn dood zelf, dat niet.”

 

Eduard kijkt naar het boek, dichtgeklapt in zijn handen. Op de cover een foto van een verlaten strand. Of is het een woestijn? “Na de dood zijn geen gebeurtenissen meer,” denkt hij. Hij legt het boek op zijn brooddoos en veegt de kruimels op tafel bij elkaar in zijn hand, die hij als een kommetje openhoudt. Even twijfelt hij, kijkt naar het kuiltje in zijn hand. Lichtbruine kruimels, donkere schilfers van de korst, een brokje kaas, graantjes. Hij denkt aan het strand. Hoe dat strand een geheel lijkt, een eindeloos vlak, één en ondeelbaar. Slechts doorsneden door de zee, die steeds verglijdende grens. Eduard herinnert zich hoe hij als kind uren kon kijken naar zandkorrels. Elke korrel een eigen kleur, een eigen vorm, een eigen gewicht. En hoe makkelijk, als je een handvol zand schept, de eenheid van het strand in korrels uit elkaar spat. “Zo is ook het leven,” denkt Eduard, “We staan met onze voeten op de grond denken we, maar met een minieme wijziging van een blik, gaapt daar de versplinterde leegte.” Met een snelle beweging brengt hij zijn hand naar zijn mond en zuigt alle kruimels op. Dan legt hij zijn handen vlak op de tafel. Het boek gelijk met de rand van zijn brooddoos. Zijn brooddoos evenwijdig met de rand van de tafel. Grenzen die niet verglijden, maar duidelijk blijven. Hij kijkt hoe aan de andere kant van de tafel Daniël zijn koffie slurpt. Blijft kijken, zonder een woord te zeggen, tot Daniël klaar is met zijn lunch. Dan staan ze samen op, Daniël met een vermoeide zucht. En sloffen ze weer naar het magazijn.

Advertenties
Geplaatst in Geen categorie | Een reactie plaatsen

Eduard XXIII

 

Vanop het trottoir volgt Eduard met zijn ogen een papiertje dat, als een vlinder, sierlijke bogen maakt door het straatbeeld. “Verloren zielen,” denkt Eduard, “we zijn allemaal verloren zielen.” Het papiertje blijft een tel lang liggen, voor de wielen van een auto het vastdrukt op het asfalt. Enkel nog een hoekje flappert in de wind. Eduards blik laat het papiertje op, en zoekt tastend mensen op in het straatbeeld. Hij kijkt ze diep en indringend aan, peilt naar het verlorene in hun ziel. Hij vindt bedeesdheid bij een Afrikaanse vrouw met baby, kwetsbaarheid bij een oude man die op een bank wacht op de bus en troosteloosheid bij een boom die onder de zinderende hitte de bladeren laat hangen. Een windstoot rukt het papiertje los, maar meer dan wat slepen over de grond doet het niet meer. Eduard laat de tranen de vrije loop.

 

Geplaatst in Eduard, Het vergeten | Een reactie plaatsen

Zandvlakte

20170610_220704-EFFECTS.jpg

Ik sta op de heuvel en kijk over de zandvlakte, mijn hand als een zonneklep boven mijn ogen. Een eindeloze, rode zee van golvend zand maakt me haast duizelig, en lijkt met half dichtgeknepen ogen nog het meest op een kasseiweg. Mijn keel voelt ruw aan, droog en dorstig. Ik slik het weinige speeksel dat ik aanmaak door. Mijn lippen smaken droog en korstig. De zon als een loden hitte op mijn hoofd. Ik voel het zweet als een kronkelend beekje van mijn rug aflopen. Ik richt mijn kompas, peil, en trek denkbeeldig een lijn in het zand terwijl ik me de heuvel laat afglijden. Samen met het zand zinkt de moed me in de schoenen.

Ik sta op de heuvel en kijk over de zandvlakte, mijn hand als een zonneklep boven mijn ogen. De zee glinstert als parelmoer. Fonkelend wordt het licht van de zon weerspiegeld. Witte schuimkopjes breken af op het strand. Een warme bries strijkt door mijn haar. De kinderen rennen de heuvel af, en spurten naar het water. Hun onbezonnen geluk tovert een glimlach op mijn gezicht. Ik gniffel, en ren hen met een indiaanachtige kreet achterna.

Ik sta op de heuvel en kijk over de zandvlakte, mijn hand als een zonneklep boven mijn ogen. Het gedreun van de pomp doet pijn aan mijn oren. Een dikke pijp spuugt zand en slijk op de uitdijende zandbank. Ik buig over de reling van de baggerboot, en zie hoe mannen met helmen de pijp van links naar rechts bewegen. Een scherpe fluittoon overstemt het gedreun, en de pijp komt hortend en stotend tot stilstand. Het schip is leeg. Een nieuw gedreun, deze keer veel dieper, komt uit de buik van dit gigantische schip, en stuurt ons weg van de zandbank. Terug diep de zee in om haar hongerige buik opnieuw te vullen.

Ik sta op de heuvel en kijk over de zandvlakte, mijn hand als een zonneklep boven mijn ogen. Ik schat de afstand naar de overkant in, waar opnieuw het bos begint. Het geurt hier intens naar brem en spar. In de wijde omgeving geen mens te bespeuren. De hitte drukt alles neer, en maakt me zwaar en loom. De lucht is droog. Rond me alleen het gesjirp van insecten en gekwetter van vogels. Ik verlang naar de verkoeling van het schaduwrijke bos. Ik veeg het zweet uit mijn nek, en daal met kleine, snelle passen de zandhelling af.

IMG_20151114_171443.jpg

Ik sta op de heuvel en kijk over de zandvlakte, mijn hand als een zonneklep boven mijn ogen. Ik speur de vlakte af, die zich onmetelijk voor me uitstrekt. Hier moet het ergens zijn. Hier moet het ergens liggen. De coördinaten kloppen. Mijn hart bonst in mijn keel. Is het onder het zand bedolven en aan het oog onttrokken? Of zou de man die me deze kaart verkocht toch gelogen hebben? Waarom ben ik zo naïef geweest? Dan valt mijn oog op een fonkeling van paars licht, ergens diep in het westen. Daar moet het zijn. Ik schreeuw het uit van geluk, schraap mijn moed bijeen, en ren er recht op af.

Ik sta op de heuvel en kijk over de zandvlakte, mijn hand als een zonneklep boven mijn ogen. Hoe schraal kan een leven zijn, denk ik. Hoe snel kan een snijdende pijn een mooi en vruchtbaar landschap tot deze woestenij herscheppen? Ik probeer in het zand mijn littekens te herkennen. Diepe kloven die zich tussen de heuvels kronkelen. Ik wrijf over mijn arm om ze weer te voelen. Taaie strepen op mijn huid, die lezen als een kroniek van verderf. Ik daal de heuvel af, en zak neer tegen de resten van een dode boom.

Ik sta op de heuvel en kijk over de zandvlakte, mijn hand als een zonneklep boven mijn ogen. Hoewel de hemel helder is geeft de zon nauwelijks warmte. Toch is het licht fel, te fel voor mijn ogen. De lucht is ijl. Ik ril. Een koude wind snijdt in mijn gezicht. Ik probeer wat warmte te blazen in mijn handen. Het strand is verlaten. Enkele meeuwen vliegen op van de golfbreker wanneer een golf zich er in een wolk van wit opspattend schuim op te pletter slaat. Ik moet bewegen om niet te bevriezen. Met mijn hoofd diep in de kraag van mijn jas wandel ik vertwijfeld verder. De wind doet me voorover hellen, en mijn voeten zakken diep weg in het zand.

Geplaatst in Overpeinzingen | Tags: | Een reactie plaatsen

Bernard XXIII

Ik werd heel creatief in het vinden van excuses. Natuurlijk kon ik niet volhouden dat zijn broer nooit aan het toestel kwam. De eerste keer was makkelijk. Ik hoefde niet eens tegen Bernard te liegen : de broer nam inderdaad de telefoon niet op. Maar ik besefte snel dat ik alert moest zijn wanneer ik acteerde dat ik zijn broer sprak. Hadden ze bepaalde afspraken? Stopwoordjes? Ik moest Lilian bellen.

P1110903

Lilian maakte me amper wijzer. Daniël heette hun broer. Zelf had ze jaren geleden met hem gebroken. Een erfeniskwestie, al hield ze zich over het hoe en wat op de vlakte. Ze wist enkel te vertellen dat Daniël zich om Bernard ontfermde. Die twee hadden een sterke band. Op dat moment vreesde ik dat ik verloren was. Nooit zou ik die sterke band die deze onbekende man met Bernard had kunnen verbeelden.

De tweede keer dat ik Daniël belde tikte ik opzettelijk het laatste nummer niet in. Zo hield ik de digitale vrouwenstem buiten ons gesprek. Ik articuleerde duidelijk, zodat Bernard mee zou kunnen volgen. “Goeiemiddag, meneer.  Ik ben de maatschappelijk werker die uw broer begeleidt. Hij vroeg me u op te bellen.” Ik hield even stilte. Liet twee keer een ‘Hm’ vallen. Lachte schamper, en deed teken aan Bernard wat ik zijn broer moest vragen. Bernards ogen blonken. Hij knikte dat het goed was. Ik sloot het gesprek af. “Bernard laat u veel groeten doen (…) Dank u. (…) Voor u hetzelfde en tot ziens.” De zenuwen gierden me door de keel. Maar eigenlijk was het heel makkelijk. Bernard was gelukkig. Hij nodigde me uit om die middag naar Omloop Het Volk te komen kijken.

Geplaatst in Bernard, Het vergeten | Tags: | Een reactie plaatsen

Eduard XXII

IMGP9231

“Ik moet mijn hoofd rustig houden of mijn hart begeeft het,” denkt Eduard. Hij slurpt van zijn cappuccino terwijl hij het marktplein overziet. Een meeuw scheert rakelings langs het standbeeld van een vergeten held. Mensen steken, zeulend met tassen, het plein over. Eduard probeert vruchteloos structuur te zien in het gekrioel. Hij trekt zijn jas wat dichter. Ondanks de felle lentezon houdt een bries de gevoelstemperatuur laag. “Had ik maar een sjaal om gedaan,” denkt Eduard, “Dan kon ik mijn hoofd ondersteunen.” Aan het tafeltje naast hem komt een oudere vrouw zitten. In een draagtas heeft ze een Chihuahua bij. Het beest kijkt Eduard aan met zijn grote vragende ogen, de oren gespitst. Eduard kijkt naar het beven van zijn handen. Door zijn lichaam gaat een krachtige siddering. Het voelt alsof het gekrioel op het marktplein in hem kruipt. “Wat is mijn ballast?” vraagt Eduard zich af, “Wat is het gewicht dat ik meezeul? En hoeveel gewicht kan ik aan?” De hond likt aan zijn neus. Een ober brengt de dame thee. “En waar zit dit gewicht? In het hoofd of in het hart?” Eduard voelt zich uitgeput en opgelaten tegelijk. Dof en opgewonden. “Het lijkt alsof mijn hoofd en mijn hart elk een andere kant opgaan,” denkt hij. Eduard twijfelt of hij nog een cappuccino zal bestellen, of opstapt. Wanneer hij de grote, trouwe ogen ziet die hem volgen, staat hij op en verlaat het terras. Gaat op in het gekrioel.

Geplaatst in Eduard, Het vergeten | Tags: | Een reactie plaatsen

Bernard XXII

P1120229

Bernard schuift me een briefje voor waar een telefoonnummer op staat gekriebeld. Hij wil dat ik het bel. Ik trek mijn schouders op, en plooi mijn gezicht in een grimas die duidelijk maakt dat ik niet begrijp waarom. “Mijn broer” kriebelt hij eronder. Zijn blik half vragend, half dwingend. Ik herinnerde mij de belofte die ik Lilian maakte : Bernard mag niets weten over de dood van zijn broer. Dat wordt hem fataal. Lilian zei het op een bezwerende manier, alsof het van levensbelang was. In mijn hoofd begin ik razendsnel de mogelijke scenario’s te overlopen. Uitvluchten en omwegen. Twee opties lijken me haalbaar : onvoorwaardelijk kiezen voor mijn cliënt en hem onomwonden vertellen dat zijn broer dood is. Of de belofte die ik Lilian maakte houden. Het spelletje meespelen. Bernards broer levend houden. Ik knik goedkeurend naar Bernard, neem mijn telefoon en bel het nummer. Bernard hoeft hier niets van te merken. Zijn doofheid lijkt mij de perfecte dekmantel. Ik kan het spelen zoals ik wil. Aan de andere kant van de lijn vertelt een digitale vrouwenstem me dat het nummer niet langer is toegekend. Pas na ik drie keer de boodschap te horen kreeg leg ik mijn telefoon neer, en doe teken aan Bernard dat zijn broer niet opneemt. Bernard is zichtbaar ontgoocheld. Knikt. Ik schrijf op het schrijfblok : “Proberen we het morgen opnieuw?”

Geplaatst in Bernard, Het vergeten | Tags: | Een reactie plaatsen

Eduard XXI

Eduard neemt de brief en houdt hem achter de rug als Daniël mompelend het magazijn binnen loopt. “Een spoedbestelling. Van Zandten. Doe je dit eerst, Eduard?” Hij geeft de bestelbon aan Eduard. In zijn andere hand heeft Eduard de brief tot een prop gekneed. Murmelend verdwijnt Daniël terug het kantoor in. Door de open deur probeert Eduard een glimp van juffrouw Rivière op te vangen.

P1190660

Geplaatst in Eduard, Het vergeten | Tags: | Een reactie plaatsen